10 vuistregels voor Rotondes

Wist u dat …

  1. Artikel 2.39 van het verkeersreglement definieert een rotonde als ‘een weg waarop het verkeer in één rijrichting geschiedt rond een aangelegd middeneiland’. De rotonde wordt gesignaleerd door het verkeersbord D5 en de toegangswegen zijn voorzien van de borden B1 of B5. Dat betekent dat niet alle cirkelvormige pleinen rotondes zijn en dat niet alle rotondes cirkelvormig zijn.
  2. De richtingaanwijzer gebruikt men alleen bij het verlaten van een rotonde, niet bij het oprijden.
  3. Wanneer men een rotonde nadert, geeft men voorrang aan de weggebruikers op de rotonde en niet aan diegenen die de rotonde willen oprijden. Diegene die als eerste de rotonde oprijdt, heeft voorrang – en niet diegene die het snelst rijdt.
  4. Als een rotonde bestaat uit meerdere rijstroken – al dan niet van elkaar gescheiden door wegmarkeringen – heeft men geen voorrang meer wanneer men van rijstrook verandert en dus een manoeuvre uitvoert (zoals op elke andere weg).
  5. Op een rotonde (en nergens anders) moet een bestuurder niet noodzakelijk op de rechterrijstrook rijden. Hij mag de rijstrook kiezen die hem het beste uitkomt volgens zijn bestemming.
  6. Nadat men de rotonde is opgereden, mag men op de linkerrijstrook rijden. Om de rotonde te verlaten moet men opnieuw rechts rijden en de richtingaanwijzer gebruiken.
  7. Weten waar men heen gaat alvorens de rotonde op te rijden, kan plotse manoeuvres vermijden.
  8. Weggebruikers op de linkerrijstrook houdt men best goed in de gaten, aangezien zij wel eens plots de rotonde durven verlaten.
  9. Bij het naderen van een rotonde moet men voorrang geven aan alle gebruikers, inclusief fietsers. Bij rotondes met vrijliggende fietspaden moet men extra voorzichtig zijn.
  10. Zelfs wanneer een weggebruiker de rotonde verlaat moet hij voorrang geven aan overstekende voetgangers.
Bron: BIVV